Arbois in Montagnes du Jura - het Franse Juragebergte - enkele fraaie streetviews

De provincie Gerona is de eerste Spaanse provincie bij de passage van de grens met Frankrijk.

Booking.com heeft een aanbod van meer dan 2.330.186 accommodaties over de hele wereld.

Kreta is het grootste en meest zuidelijke eiland van Griekenland. Het heeft voor ieder wat wils.

Victor Hugo, Courbet, Pergaud …de streek heeft een scala aan geniën voortgebracht: Schrijvers, artiesten, wetenschappers of ondernemers hebben allemaal een ding gemeen: De Franche- Comté als geboortegrond, gebied van uitvindingen, ontdekkingen en vooral van belangrijke data die geschiedenis gemaakt hebben.

* Jacques de Molay (1240 tot 1250-1314), laatste grootmeester van de Tempeliers
* Antoine Perrenot de Granvelle (1517-1586), kardinaal en staatsman in de Nederlanden
* Balthasar Gerards (Ca.1557-1584), de moordenaar van Willem van Oranje
* Jules Grévy (1813-1891), president van Frankrijk
* Louis Pasteur (1822-1895), scheikundige en bioloog
* Victor Marie Hugo

 



Jacques de Molay
Over zijn jeugd is bijna niets bekend. Aangenomen wordt dat Molay tussen 1240 en 1250 is geboren, meer exact wellicht tussen 1244/45 en 1248/49. Het precieze jaartal is niet bekend. Zijn vader was een Bourgondische edelman, Jean de Longwy. Zijn moeder de dochter van de Sire de Rahon. Er zijn meerdere plaatsen die de naam Molay dragen. Daarom is het niet meer dan een veronderstelling dat hij is geboren in de plaats Molay in het bisdom Besançon in de Franche-Comté.

In 1265 werd Jacques de Molay in Beaune opgenomen in de Orde van de Tempeliers. De plechtigheden bij de inwijding werden geleid door Ymbert de Peraudo en Amalric de Ruppe. Pas in 1270 wordt weer melding gemaakt van de naam Jacques de Molay. Hij zou dan in het Heilige Land verblijven.

In 1285 werd Jacques de Molay tot bevelhebber van Akko benoemd. Omdat hij in 1290 op Cyprus verbleef kon hij in 1291 niet deelnemen aan de verdediging van Akko. In 1291 vond op Cyprus een concilie van de tempelorde plaats. Naar aanleiding daarvan gaf Jacques de Molay uiting aan zijn onvrede over de toestand binnen de orde. Hij zag zichzelf als de aangewezen persoon om daar verandering in te brengen. Vanaf 1294 stond hij aan het hoofd van de tempeliers.

Gedurende het proces tegen de tempeliers in 1307 werd hij door martelingen gedwongen valse bekentenissen af te leggen en tot levenslange opsluiting veroordeeld. Nadat hij zijn bekentenissen had herroepen werd hij in 1314 in Parijs op de brandstapel terechtgesteld, samen met 40 andere tempeliers. Deze terechtstelling vond plaats aan de westelijke zijde van de Pont Neuf op het Île de la Cité in Parijs. Tegenwoordig geeft een kleine plaquette de plaats aan.

Het is niet met zekerheid te zeggen of de Molay de paus en de Franse koning vervloekte, zoals vaak beweerd wordt in boeken en geschriften. Anderen stellen dat de Molay verklaarde dat paus Paus Clemens V en koning Filips IV van Frankrijk nog binnen hetzelfde jaar voor Gods Gerechtshof moesten verschijnen om zich te verantwoorden. Ze zouden derhalve sterven en voorts zou de Franse koning geen vruchtbare nakomelingen krijgen. Feit is in elk geval dat de paus en de Franse koning inderdaad zeer onverwachts binnen dat jaar stierven. Wat de erfgenamen van de koning betrof: hij had zes zonen en enkele dochters. Drie zonen stierven vrij jong. De overige drie werden allemaal koning, maar geen van hen had een mannelijke nakomelingen.


Antoine Perrenot
Antoine Perrenot de Granvelle (Besançon, 20 augustus 1517 – Madrid, 21 september 1586) was een staatsman in dienst van de Habsburgers. Hij was afkomstig uit de Franche-Comté, een deel van de Bourgondische erflanden, dat in zijn tijd in handen was van Karel V en later van diens zoon Filips II. Hij was een man van de harde lijn, die vond dat de roerige provincies een lesje geleerd moest worden.

Als zoon van de invloedrijke Nicolas Perrenot de Granvelle maakte hij snel carrière, hoewel hij niet van adellijke afkomst was. Hij promoveerde net als zijn vader tot doctor in de rechten te Dole en werd raadsheer bij het parlement ("gerechtshof") in die stad. Hij werkte een tijdje als bureaucraat voor de Habsburgmonarchie en werd reeds op 21-jarige leeftijd bisschop van Atrecht. Na de dood van zijn vader in 1550 volgde hij deze op als staatssecretaris en grootzegelbewaarder van Karel V. Hij werkte aan de totstandkoming van het huwelijk van Karels zoon Filips II met Maria Tudor en had een groot aandeel in de realisatie van de verdragen van Vaucelles (1556) en Cateau-Cambrésis (1559).

Hij was de belangrijkste adviseur van Filips II in de jaren die aan de Tachtigjarige oorlog vooraf gingen en droeg bij aan het verscherpen van de conflicten in de Nederlanden. Hoewel zelf geneigd tot terughoudendheid, voerde hij loyaal ook de meest extreme maatregelen van Filips II uit. Nadat deze de Nederlanden had verlaten, werd Granvelle een van de meest invloedrijke raadgevers van landvoogdes Margaretha van Parma aan het Brusselse hof. Hij werd uiteindelijk kardinaal-aartsbisschop van Mechelen (1561). Vanaf dit moment werd hij door de plaatselijke adel steeds meer beschouwd als een exponent van de gehate regering. Dit bracht hem ertoe om in maart 1564 zijn bisdom te verlaten en op advies van de koning naar de Franche-Comté terug te keren.

Een tijd later werd hij tot gezant te Rome benoemd, waar hij een groot aandeel had in de vorming van een anti-Turkse liga. Als onderkoning van Napels werkte hij in 1571 aan de voorbereiding van de Slag bij Lepanto. In 1575 keerde hij naar Rome terug en uit zijn correspondentie met koning Filips blijkt dat hij zich opnieuw ging bemoeien met de Nederlanden. Zo stemde hij in met het sturen van Alva en met de instelling van diens Raad van Beroerten, maar uiteindelijk keurde hij het bloedige optreden van Alva af. Ook bewoog hij de koning ertoe Willem van Oranje vogelvrij te verklaren en diens zoon te ontvoeren en (in 1578) de militaire en burgerlijke macht op te splitsen, resp. in handen van Alexander Farnese en Margaretha van Parma.

In 1579 ontbood de koning hem tenslotte naar Madrid en belastte hem daar met de Nederlandse zaken en met de diplomatieke betrekkingen met Engeland en Frankrijk. In deze hoedanigheid was hij zijn koning nog zes jaar nauwgezet van dienst, zij het met afnemende invloed. Als dank voor zijn diensten werd Granvelle nog in 1584 tot aartsbisschop van Besançon benoemd. Hij overleed te Madrid in 1586. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in Besançon.

Balthasar Gerards
Balthasar Gerards (Balthasar Gérard), (Vuillafans, ca. 1557 - Delft, 14 juli 1584), was de moordenaar van prins Willem van Oranje.
Gerards werd geboren in Vuillafans bij Besançon in Franche-Comté en heette eigenlijk Balthasar Gérard. De straat waar hij werd geboren heet tegenwoordig Rue Gérard. Zijn familie speelde in de kleine dorpsgemeenschap een vooraanstaande rol. Zijn vader sprak recht over de inwoners en zou slotvoogd zijn geweest van het nabijgelegen Châteauneuf van de familie De Bauffremont. Balthasar was het negende kind van Jean Gérard en Barbe d'Emskerque en werd streng katholiek opgevoed. Van het protestantisme moest hij niets hebben.

Balthasar trok op zijn twaalfde naar de stad Dole om rechten te studeren. Dole was destijds de hoofdstad van Franche-Comté, dat tot de bezittingen van de Habsburgers behoorde en met de Nederlanden deel uitmaakte van de Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. Van Balthasars jaren in deze stad is alleen bekend dat hij in dienst trad als klerk bij de griffie van het gerechtshof (een prestigieuze functie) en als secretaris diende in het leger van graaf Peter Ernst van Mansfeld. Een ander voorval uit deze tijd kennen wij alleen uit de mond van Balthasar zelf. In 1578 zou hij zich in een gesprek over politiek en Willem van Oranje zo hebben opgewonden, dat hij met al zijn kracht een dolk in de deur stak. Hij zou daarbij hebben uitgeroepen dat "deze steek in het hart van de prins van Oranje gegeven had moeten worden".

De strijd tussen de katholieken en de protestanten in die jaren, die ook Franche-Comté niet onberoerd liet, wekte Balthasars woede. Hij geloofde heilig in de zaak van de katholieke kerk en van koning Filips II van Spanje en beschouwde Willem van Oranje, die nota bene nog stadhouder van Franche-Comté was geweest, als een verrader.

François Judith Paul Jules Grévy
François Judith Paul Jules Grévy (Mont-sous-Vaudrey, 15 augustus 1813 - aldaar, 9 september 1891), was de derde president van de Derde Franse Republiek. Hij was een Frans republikeins politicus. Hij was lid van de Constituerende Vergadering in 1848, en tevens voorzitter van de Kamer (1871-79). Hij werd president in 1879 en moest aftreden in 1887, omdat zijn tweede termijn ook afgelopen was.

Grévy werd geboren in Mont-sous-Vaudrey in het Jura-gebergte. Hij werd advocaat in 1837 en, trouw blijvend aan zijn republikeinse principes onder de Orléans monarchie, werd hij verkozen in de Constituerende Vergadering van 1848. Hij voorzag dat Louis Bonaparte (de latere Napoleon III) verkozen zou worden tot president door het volk. Hiervoor stelde hij voor om de macht te leggen bij de voorzitter van de Constituerende Vergadering. Deze voorzitter zou dan verkozen worden en afgezet kunnen worden door deze Vergadering. In andere woorden, hij wilde de presidentiële functie onder controle van de Constituerende Vergadering houden. Na de coup van Napoleon III werd Grévy door zijn voorstel beschouwd als een wijs man die goed personen en situaties kon inschatten. Bij zijn terugkeer in het openbare leven in 1868 nam hij een prominente plaats in in de republikeinse partij.

Na de val van het rijk van Napoleon III werd Grévy verkozen tot voorzitter van de Constituerende Vergadering op 16 februari 1871 en behield deze positie tot 2 april 1876. Toen moest hij namelijk aftreden door de rechtse oppositie, die hem beschuldigde omdat hij een van hun leden tot de orde had geroepen in de parlementaire sessie van de voorgaande dag. Op 8 maart 1876 werd hij verkozen tot voorzitter van de kamer van volksvertegenwoordigers. Dit was een positie die hij zo efficiënt invulde dat hij na het aftreden van Patrice MacMahon overstapte naar het presidentschap van de republiek op 30 januari 1879. Hij werd verkozen zonder oppositie van de republikeinse partijen.

Stil, slim en met aandacht voor de belangen van het volk en zichzelf, maar zonder enige voorkeur daarvoor, zou dit hem een onbevlekte reputatie hebben opgeleverd. Helaas nam hij een tweede termijn aan op 18 december 1885. Kort daarna kwam een schandaal aan het licht waarin zijn schoonzoon (Daniel Wilson) betrokken was. Hij zou een rol hebben gehad in het toekennen van het Légion d'honneur aan bepaalde personen. Grévy werd niet beschuldigd van persoonlijke betrokkenheid in dit schandaal, maar weigerde koppig te beseffen dat hij indirect verantwoordelijk was voor het gebruik dat de familieband kon maken van het Elysée. Kort hierna moest hij aftreden, op 2 december 1887. Hij stierf in Mont-sous-Vaudrey op 9 december 1891. Zijn succes en falen zijn beide te danken aan zijn typerende gedrag van de gedreven, redelijke en patriottische, maar vaak enggeestige en egoïstische bourgeois.


Louis Pasteur
Louis Pasteur (Dole, 27 december 1822 – Saint-Cloud, 28 september 1895) was een Frans scheikundige en bioloog, vooral bekend vanwege de naar hem vernoemde pasteurisatietechniek en door zijn ontdekking van het vaccin tegen hondsdolheid.

Pasteur werd geboren in Dole, Frankrijk. Hij studeerde scheikunde en biologie. Zijn wetenschappelijke carrière begon in 1848 met onderzoek aan wijnsteenzuurkristallen. Hij ontdekte dat er twee vormen van wijnsteenzuur bestaan waarvan de kristallen elkaars spiegelbeeld zijn. Ook ontdekte hij dat de ene vorm wel, maar de andere vorm niet door bacteriën kon worden gebruikt als voedsel. Daarmee is hij een van de eersten die macroscopische effecten van de ruimtelijke bouw van moleculen beschreef en de vader van de stereochemie.

In 1854 werd hij tot hoogleraar in de scheikunde aan de Universiteit van Rijsel benoemd, totdat hij in 1857 directeur voor natuurwetenschappelijk onderzoek werd aan de École normale supérieure in Parijs.

Hij ontwikkelde de theorie dat de oorzaak van veel ziekten een minuscuul levend wezen was, een 'micro-organisme'. Zijn "theorie van de ziekteverwekker" of "microbe-theorie" is één van de belangrijkste ontdekkingen in de medische geschiedenis. Hij introduceerde nieuwe concepten als sterilisatie van gereedschappen en wondverbanden.

Pasteur was de uitvinder van het pasteuriseren, het proces waarin schadelijke microben in aan bederf onderhevige voedselproducten worden vernietigd door het voedselproduct kortstondig te verhitten, zonder het product te beschadigen.

Pasteur ontdekte dat er verschillende soorten gistcellen voorkomen en dat niet alle gisten even geschikt zijn voor een goede gisting en bijgevolg een optimale smaak van wijn en bier.

Hij toonde op overtuigende wijze aan dat bedorven voedsel geen micro-organismen voortbrengt; integendeel, rotting en gisting worden veroorzaakt door micro-organismen die in de lucht aanwezig zijn. In 1874 kreeg hij de Copley Medal en in 1881 werd hij verkozen tot lid van de Académie française.
 

Victor Marie Hugo
Victor Marie Hugo (Besançon, 26 februari 1802 – Parijs, 22 mei 1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman en wordt beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste Franse romantische schrijvers van de 19e eeuw. Hij schreef romans, gedichten, toneelstukken, essays en politieke toespraken en liet ook een uitgebreide briefwisseling na.

Victor Hugo heeft negen romans nagelaten. Zijn eerste roman was Bug-Jargal, geschreven op zestienjarige leeftijd, zijn laatste, Quatre-vingt-treize, op zeventigjarige leeftijd. Zijn romanoeuvre bestrijkt dus alle leeftijden van de schrijver en alle literaire stromingen van zijn tijd. Toch heeft Hugo zich nooit helemaal geïdentificeerd met een van die literaire stromingen. Zijn romans vertonen eigenschappen van stromingen, maar passen nooit volledig in die stroming. Romans zoals Han d’Islande en Notre-Dame de Paris lijken op historische romans zoals deze in de mode waren aan het begin van de negentiende eeuw, maar kunnen niet volledig in dit genre worden ingeschreven. Men herkent bij Hugo altijd een zekere parodie op het genre.

Heel vaak hebben Hugo’s romans een sociale en maatschappijkritische inslag. Claude Gueux (1834), de documentaire novelle waarin hij de doodstraf aanklaagde, was alvast een eerste stap in die richting. Les Misérables (1862) heeft zeker een sociale betekenis en vertoont karakteristieken van het realisme, maar kan toch niet volledig worden beschouwd als een realistische roman.

Les Travailleurs de la mer (1866) sluit dan weer dichter aan bij de romantische esthetiek van het begin van de negentiende eeuw, met zijn verschrikkende natuur en zijn monsters. Sommigen vinden dit werk dan weer te pathetisch en melodramatisch.

Zijn laatste roman, Quatre-vingt-treize, uit 1874, behandelt dan weer een thema dat in veel van Hugo’s werken doorschemert: de belangrijke rol van de Franse Revolutie op het politieke, sociale, morele en literaire geweten van de 19e eeuw.
 

VVV van  Franche-Comté


Veilig, snel, vertrouwd

Booking.com